De Duivel

Terwijl ik door het holst van de nacht door de voor mij bekende straten op weg huiswaarts loop, nestelt zich een ongemakkelijk gevoel in mijn maag. Ik word bekeken, ik weet niet wie of waar, maar ik voel de ogen priemen. Schichtig kijk ik om mij heen om de dreiging te lokaliseren. Enkel huizen en gedoofde straatlantaarns wiens silhouetten door de gedimde maan zichtbaar zijn. Haastig loop ik verder over de kinderkopjes, die door de herfstige kou en dauw spekglad aanvoelen onder mijn afgetrapte profielloze schoenen.

Een ritselend geluid van achter doet mijn nekharen overeind staan en een ijskode rilling loopt door mijn hele lijf. Na een halve seconde van blinde paniek, draai ik 180 graden om en loop op automatische piloot achteruit. Overlevingsmechanismen die alleen omschreven kunnen worden als primitief lijken mijn lichaam in beweging te zetten. Niks te zien, maar ik weet dat daar, ergens in het donker niet ver van me vandaan, iets me in de gaten houdt. Ik draai me om en begin te rennen ‘alsof’ mijn leven er vanaf hangt. Achter mij hoor ik het beest uit de schaduw komen. Zijn klauwen krassen ijzingwekkend over het steen, maar verder lijkt elk geluid dat zijn bewegingen zou moeten voortbrengen door de donkere nacht te worden opgeslokt. In wat voelt als een eeuwigheid ren ik onvermoeid vijf straten door, met een conditie die jarenlang zware shag roken en bankhangen blijkbaar alleen maar goed hebben gedaan. Ik spring over een door dronken jeugd omgetrapte vuilnisbak en bereik bijna de hoek van de straat waar een lantaarnpaal mij schijnveiligheid kan bieden. Het krassende geluid komt dichter- en dichterbij maar het licht is slechts enkele seconden van me vandaan en ik voel dat ik het ga redden. In een poging extra snelheid te verkrijgen zet ik nog één keer aan. De geforceerde beweging brengt me uit balans en de toegevoegde gladheid trekt de benen onder mijn lijf vandaan. Op vijf meter afstand van het licht beland ik languit op de grond.

Bijkomend van de klap staar ik naar de gitzwarte lucht die zo bewolkt is dat ik geen ster aan de hemel kan vinden. De kloppende pijn in mijn achterhoofd lijkt gelukkig de enige schade te zijn. Versuft door de klap, maar me weer volledig bewust van de heersende dreiging onderneem ik een poging op te staan. Ik rol me op mijn buik en probeer overeind krabbelen. Maar dan zie ik het beest. Zijn grote ogen lichten onheilspellend op in de duisternis als de koplampen van een aanrazende auto. Zijn zwarte vacht vangt net genoeg maanlicht op om een glans te produceren. Ogenschijnlijk onvermoeid door de achtervolging sluipt hij dichterbij terwijl ik onhandig achteruit kruip. Ik bereik het licht van de straatlantaarn in de zijstraat maar het licht lijkt het beest niet te kunnen stoppen. Hij heeft zijn ogen op mij laten vallen en ik ben zijn prooi.

Het monster vergezeld me in het licht van de eenzame lantaarn. Zelfs in het witte licht is zijn vacht donker als de nacht, maar nu zijn het zijn ogen die alle lichstralen opvangen. Twee heldere groene betoverende parels trekken me de afgrond in en ik ben in zijn macht. “Miauuuuuuuuw”.. ik ben nu van hem.

Geef een reactie