Vier-uurtje

Het is 15.56 uur op je digitale horloge. Het is rustig. “Twee vier uurtjes alstublieft” zeg je vriendelijk doch commanderend tegen het blonde meisje dat vasthoudt aan de regeltjes die haar opgedragen zijn door een vrouw die tevens moeder is van een stel pubers. Ze luistert waarschijnlijk naar de naam ‘Ans’ of ‘Jannie‘. “Het is heel flauw, maar het is nog geen vier uur, haha.” een ongemakkelijk lachje in de hoop dat het hier bij blijft. Het blijft hierbij. Het slechtbetaalde meisje doet ook maar wat haar is opgedragen door Ans of Jannie.

Jij staat daar, met je euro. Je laat hem over je vingers lopen en wentelen. De schittering van het muntstuk even zilver als de horde die zich in no-time om je heen heeft verzameld. Om je heen zwermen ze samen. Als een imme grijze bijen. Elke dag hetzelfde. Hun natuurlijke klok is er op afgestemd. Om een uur of 5.30 worden ze wakker, ongeacht het jaargetijde. De levenslust is ver te zoeken, maar elke dag om klokslag 16.00 uur zijn ze er! Regen of zonneschijn, herfst, winter, zomer, lente, het maakt ze niet uit. Ze moéten en zúllen er zijn. Vijf minuten geleden leek het hier Chernobyl, maar nu zijn ze uit alle hoeken en gaten komen toestromen.

Ze reserveren een plekje bij het raam, leggen hun jas en tas demonstratief op de bank neer en stelen waar ze kunnen nog gauw een stoel: “Kan ik deze lenen?” vraagt de grijze dakduif nadat ze haar rollator midden in een gangpad heeft geparkeerd zodat hij voor iedereen in de weg staat. “Natuurlijk, wanneer krijg ik hem terug?” vraag ik zonder enige emotie. Een teken voor het lopende lijk om te glimlachen en de stoel te jatten. Als schaakstukken hebben ze allemaal hun vaste plekjes ingenomen. Op de bank zit een flinke groep Grijs. Allemaal geduldig te wachten tot de klok 15.59 uur slaat. Het moment waarop ze massaal in beweging komen.

Je waagt nog een poging, dit keer sta je echter achteraan in een polonaise van bejaarde vrouwtjes met bloemetjesjurken. Als dit een trein was, was het een stoptrein, zo eentje die bij elk station stopt. Eentje die al af aan het remmen is op het moment dat hij vertrekt. Alle boerengaten worden aangedaan. En dat terwijl iedereen toch hetzelfde fucking vier-uurtje wil hebben. Tien minuten later hebben we onze prijs in de wacht gesleept. Een kopje koffie dat, waarschijnlijk, naar apenkots smaakt en een kopje lauwe slappe thee. Twee vierkante hoopjes ellende die door moeten gaan voor gebak. Gelukkig zit er een soort zoete crèmekleurige pasta op. Zonder dit goedje was deze droge troep helemaal niet weg te werken. Het blokje smaakt naar niks, hele droge niks.

Als we met volle mond om ons heen kijken proeven we niet alleen de ellende, maar we zien de ellende, we voelen de ellende en we ruiken de ellende. Twee tafels verder zit een stel dat hun jas uit weigert te doen aan een klein vierkant tafeltje niet veel groter dan een post-it. Levenloos zitten ze tegenover elkaar. Ze kijken net zo levenloos uit hun ogen, starend in het niets. In hun mond gaat een vies gebakje, uit hun mond komt niets. Deze mensen hebben elkaar niks meer te zeggen, niks meer te vertellen. Dit vier-uurtje is het hoogtepunt van de dag. Als dit de toekomst is die je tegemoet gaat als koppeltje, als stel, dan is het zo slecht nog niet om weduwe of weduwenaar te worden. Kijk maar eens hoe blij Boer Geert is. Die man straalt, die man shined als ‘ons Royke’ zijn huispakken. Geertje is gelukkig met zijn nieuwe vrouwke. Dat bewijst maar weer eens dat de mens niet gemaakt is om monogaam te zijn. Maar we blijven toch allemaal ons best doen om die trend te doorbreken.

Na het doornemen van het HEMA-blaadje staan we op en doen we onze jassen aan. We nemen afscheid van Greet, Anja, Rietje, Bert, Hans, Jan en Jan. Nog even zwaaien we naar Anneke, het blonde HEMA-meisje dat ons inmiddels ook bij naam kent. “Tot volgende week!” zegt ze. “Tot volgende week.” zeggen wij terug.

Geef een reactie