Zoenen

Ik moest ver reizen in mijn interstellaire ruimtevehikel, maar ik had het er graag voor over. Zenuwen heb  ik eigenlijk nooit gehad, maar met elk  lichtjaar dat ik dichterbij kwam leek de temperatuur te stijgen. Alsof ik haar gloeiendhete aura invloog en stukje bij beetje, meer en meer aangetrokken werd door haar kern. Een ster met een massa zo immens dat een simpel hemellichaam als ik niet kon ontsnappen aan haar zwaartekracht.

Ineens was daar dat moment dat ik me bewust werd van het heden en alles om me heen. Mijn handen zaten klam om de stuurknuppel vastgeklemd met zo veel kracht dat het fallusvormige object elk moment kon bezwijken onder de enorme druk. De kleine druppels zweet op mijn voorhoofd parelde samen tot mijn wenkbrauwen het gewicht niet langer aankonden en het zout in mijn ogen stroomde, alsof mijn voorhoofd huilde van de stress. In een poging te ontspannen gooi ik mijn schouders los, open mijn mond en neem een grote teug gerecycled zuurstof. Hoe technisch hoogstaand dit schip ook is, de geur en smaak van zwavel lijkt niet los te komen van de O2. Een misselijk gevoel stompt me in mijn net niet lege maag en lanceert de met cafeïnevrije koffie doordrenkte stukjes ontbijt door de cockpit. De frisse smaak van tandpasta verlaat samen met het onverteerde voedsel mijn mond. Haastig trek ik een pakje zakdoekjes met eucalyptusbalsem uit mijn broekzak en probeer zo goed en zo kwaad als het gaat het raam en de instrumenten van de cockpit semi-spuugvrij te krijgen.

Met een natrillende vinger bedekt in restjes vochtig eucalyptuspapier druk ik de knop van de boordcomputer in. “Waarmee kan ik u van dienst zijn?” vraagt een kunstmatig vriendelijke vrouwenstem. “Autopiloot instellen op planeet U-030  kwadrant I-K-A, EVA” commandeer ik, waarna E.V.A. (Electronic Vehicle Assistant) begripvol piept en de besturing overneemt.

Een half uur  later gaat de hyperdrive uit, het voertuig waarin ik me bevind schudt het snelheidsverschil van zich af, door het grote koepelvormige raam zie ik naast de donkere leegte van de ruimte een planeet opdoemen. Ik tuur door het gepantserde glas en zie honderden schepen die net als ik automatisch de blauw-gele parkeerhaven van kwadrant I-K-A in worden geloodst. Wanneer het toestel zich eindelijk heeft geparkeerd stap ik enigszins misselijk uit de cabine. Nog even leun ik tegen mijn schip aan tot mijn benen sterk genoeg aanvoelen om mijn gewicht te kunnen dragen. Ik draai me om en zie jou op me afkomen. Mijn mond opent zich in een poging je te waarschuwen, maar jouw lippen drukken zich al tegen de mijne aan. Alle spieren in mijn lichaam ontspannen zich terwijl mijn ogen zich automatisch sluiten. Verbolgen en met een zuur gezicht trek jij je hoofd terug, draait je om en rent gehaast naar jouw roze ruimtecruiser. Nagenietend open ik mijn ogen, zo plotseling als je verscheen, zo plotseling was je verdwenen. “Ik heb net gekotst..” fluister ik zachtjes.

Geef een reactie